voorggznaasten.amsterdam

Zorg
Aanbod
Agenda
november 2018

De dag nadat

Anna (44): “Het is zeven uur ’s ochtends en ik stap nog snel onder de douche voor ik mijn dochters van 10 en 13 wakker maak. Ik heb vannacht zoveel gehuild dat ik compleet ben uitgeput. Als ik de warme stralen over mijn rug voel stromen, vraag ik me af of Patrick al wakker is. Of hij überhaupt een oog heeft dichtgedaan.

Gisteren bracht ik hem naar een afkickkliniek. Hij is nog maar 21 jaar en verslaafd aan cocaïne. Zwijgend pakten we zijn tas in. Ik wilde zo graag iets troostends zeggen, maar vond de woorden niet. Als de meisjes wakker zijn en we ontbijten, verbaast het me dat ze geen vragen stellen over hun grote broer. Mijn oudste dochter weet dat Patrick drugsverslaafd is, de jongste alleen dat hij ‘een beetje in de war’ is. Blijkbaar is de wetenschap dat er nu iets aan gedaan wordt voor hen genoeg. Of zouden ze straks op school wel de behoefte hebben om het erover te hebben? Een gevoel van schaamte overvalt me. Ik wil niet dat er slecht over ons gesproken wordt.

De meiden gaan naar school en ik stap met het lood in mijn schoenen de auto in om naar mijn werk te gaan. Mijn collega’s weten alles. Nadat ik Patrick gisteren had weggebracht, ben ik doorgereden naar mijn werk voor een vergadering. Dat doe ik wel even, dacht ik. Maar ik verliet de kliniek minder gerustgesteld dan ik hoopte. Niemand kon me precies vertellen hoe het behandelplan eruit zou zien. Ik weet alleen dat ik Patrick de komende tijd niet mag opzoeken. Ik voelde me zo ontzettend eenzaam toen ik wegreed. Met een behuild gezicht kwam ik op mijn werk aan, waar ik op aandringen van collega’s het hele verhaal uit de doeken deed. Natuurlijk was iedereen begripvol – ik werk nota bene zelf voor een instelling voor mensen met een psychische aandoening – maar de schaamte was er niet minder om. Ik had gefaald als moeder.

Met een verhoogde hartslag loop ik de afdeling op en mijn collega’s komen me al tegemoet. ‘Het gaat wel’, mompel ik terwijl ik doorloop naar de koffieautomaat. Gelukkig begrijpen ze de hint en laten me de rest van de ochtend met rust. Van mijn werk komt niets terecht, het enige waar ik aan kan denken is mijn zoon. Mijn verslaafde zoon.

“Hij vroeg me steeds vaker om geld terwijl hij zelf een baan had, kwam afspraken niet na en stond soms middenin de nacht totaal ontredderd voor mijn deur”.

Patrick was als kind een vrolijk ventje. Dat zijn concentratievermogen niet opperbest was, vond ik niet zo vreemd. Jongens zijn nu eenmaal drukker. Als puber werd hij wat afstandelijker en begon hij plotseling te roken, maar onze band bleef goed. Die puberteit valt nog wel mee, dacht ik toen hij zijn achttiende verjaardag vierde. Maar op zijn negentiende begon het pas echt. Hij was extreem chagrijnig, klaagde over drukte in zijn hoofd en ruilde zijn oude vrienden in voor nieuwe. Jongens die ik nooit zag, maar met wie hij hele nachten doorhaalde. Toen hij op zichzelf ging wonen, ging het echt mis. Eerst dacht ik dat hij gewoon moe was als ik hem aantrof met een lege blik in zijn ogen, maar later vielen de puzzelstukjes op zijn plaats. Hij vroeg me steeds vaker om geld terwijl hij zelf een baan had, kwam afspraken niet na en stond soms middenin de nacht totaal ontredderd voor mijn deur.

Als mijn collega’s gaan lunchen, eet ik een boterham achter mijn bureau. Ik draai het nummer van de kliniek waar Patrick verblijft. Hoewel het me rust geeft dat ik nu weet waar hij is, móet ik weten hoe het met hem gaat. De receptioniste is begripvol en bindt me door naar Patricks afdeling. Even later hoor hem snikken. ‘Mam, haal me hier weg’, roept hij paniekerig. ‘Je moet doorzetten’, zeg ik. ‘Je wilt toch ook echt stoppen?’ Hij zwijgt. Als ik een paar minuten later ophang, ben ik daar zelf ook even niet zo zeker van.

Ik ga op tijd naar huis. Als ik de aardappels afgiet, denk ik aan de druppel die de figuurlijke emmer deed overlopen. De kinderen waren met Kerst bij mij – ik ben al jaren niet meer met hun vader – en we wilden gourmetten. Patrick zou de pannetjes meenemen, maar hij kwam niet en liet ook niets van zich horen. Zijn vader en ik hebben overal gezocht en uiteindelijk de politie ingeschakeld. Toen hij op Facebook schreef dat hij niet verder wilde met zijn leven, wist de politie hem te traceren. We vonden mijn zoon in zijn auto op een verlaten parkeerplaats, totaal van de wereld door de coke. ‘Je moet nu afkicken of ik moet je loslaten’, zei ik. Dat kwam binnen. Hij stemde in met een vrijwillige opname.

Als de meiden naar bed zijn, zit ik urenlang domweg voor me uit te staren. Het liefst wil ik weer in huilen uitbarsten, maar ik moet sterk zijn. Voor mijn dochters en voor Patrick. Want als ik in hem blijf geloven, dan gelooft hij op een dag ook in zichzelf.”